Tongbreker
- 14 mrt
- 2 minuten om te lezen
Ik ben een kind van het noorden. Friese voorouders, geboren in Groningen, woonachtig in Drenthe. Mijn ouders gaven mij de naam ‘Froukje’, een naam die in deze contreien geen tongbrekers oplevert. Zodra ik mij in het buitenland begeef, wordt het lastiger. Vaak krijg ik bij het voorstellen een verbaasde blik, gevolgd door een korte stilte. Mensen vallen over de harde, keelachtige klank van de ‘r’, dus ik geef vaak de disclaimer dat het niet uit te spreken is, maar vrij vertaald zoiets als ‘little woman’ betekent. Daar wordt dan om gelachen, aangezien wij Nederlanders zo lang zijn.
Toen Suzy zich aan mij voorstelde, produceerde ik een soortgelijke combinatie van gezichtsuitdrukking en stilte. Door het internationale karakter van de Rijksuniversiteit Groningen behandelen wij geregeld cliënten uit alle windrichtingen. Suzy komt uit Korea, en hoezeer ik ook probeerde haar echte naam goed uit te spreken, mijn tong werkte niet mee. Suzy glimlachte vergevingsgezind en stelde voor om haar Suzy te noemen, zoals de meeste Nederlanders doen.
Nu de uitspraakverwarring uit de weg geruimd is, gaan we verder naar de volgende confusie, tevens haar aanmeldreden. Suzy voelt zich klem staan tussen gebruiken uit de oosterse en westerse samenleving. Ze werkt met veel plezier als onderzoeker bij de universiteit. In dit kader wordt van haar gevraagd de lijnen van het onderzoek uit te zetten, in discussie te gaan met begeleiders en professoren, knopen door te hakken en een volgende stap te nemen. Suzy vertelt dat haar vaak wordt gezegd dat ze ‘voor zichzelf moet opkomen’. Vanuit haar achtergrond is ze echter niet gewend dat dit nodig is, laat staan hoe je dat eigenlijk doet. In Korea wordt een leidinggevende niet geacht iets van een werknemer te vragen, als dat niet haalbaar voor diegene is. Daardoor hoefde ze zelf zelden grenzen aan te geven.
Suzy probeerde de afgelopen periode alle feedback van haar supervisoren te verwerken, wat veel tijd en energie kostte. Van binnen bouwde ze steeds meer frustratie en ontevredenheid op. Ze vond de opmerkingen niet altijd kloppend, of in lijn met het onderzoek, maar het voelde voor haar niet gepast om dat te benoemen. Als een professor iets zei, ging ze ervan uit dat het haar taak was om dat te volgen. Tegelijkertijd merkte ze dat het haar onderzoek niet verder hielp. Van collega’s hoorde ze dat discussie en tegenspraak hier gewaardeerd worden. Dat voelde onwennig voor Suzy.
We besluiten de komende tijd stil te staan bij wat er vanbinnen gebeurt. Wanneer voelt iets niet kloppend? Wanneer ontstaat er spanning of twijfel? Door dat te leren herkennen en onder woorden te brengen, kan ze oefenen om het daarna met haar omgeving te delen. Hiermee kan ze rust vinden in haar werk, en langzaam wat steviger gaan staan in haar onderzoek.
We sluiten het intakegesprek af. Ik vraag Suzy aan de balie een vervolgafspraak te plannen. Ze antwoordt met een onzekere, vragende blik. Ik vraag of iets nog onduidelijk is. ‘Nee hoor’, zegt Suzy opgeruimd, ‘het vervolg is helder. Maar ik kan je naam niet uitspreken, dus ik weet niet hoe ik een vervolgafspraak met je moet plannen…’




